Een wandeling met meditaties langs de glas-in-loodramen van de Sint-Jacobus de Meerdere, Parkstraat, Den Haag.
17 haltes · 38 heiligen en taferelen · te lezen én te beluisteren
Deze kerk staat vol verhalen. Hoog in de ramen staan ze afgebeeld: apostelen en martelaressen, een keizer, een non uit Schiedam, een pater uit Bolsward. De glazeniers gaven ieder van hen iets mee — een palmtak, een toren, een weegschaal, een krant. Wie goed kijkt, ziet dat elk detail iets vertelt.
Loop rustig van raam naar raam, tegen de klok in. Kijk eerst zelf: wat valt u op? Lees of beluister dan de meditatie van pater Dries van den Akker s.j. bij dat raam.
‘En ik?’ — die vraag klinkt in deze meditaties telkens door. Want de mensen in het glas stellen ook óns een vraag.
Hij kwam uit de omgeving van de Friese stad Bolsward. Eigenlijk heette hij Anno. Toen hij op zeventienjarige leeftijd intrad bij de karmelieten, kreeg hij de kloosternaam Titus, naar één van de leerlingen van Paulus. Hij is afgebeeld in karmelietenkledij. Na zijn opleiding werd hij docent filosofie aan de karmelietenopleiding in Oss. In 1923 volgde zijn benoeming tot hoogleraar in de wijsbegeerte en mystiek aan de pas opgerichte Katholieke Universiteit van Nijmegen. Hij werkte o.a. mee aan de vertaling van de complete werken van de heilige Teresa van Avila.
Van het begin af aan waarschuwde hij tegen de verderfelijke mentaliteit van het nazisme. Zo was hij halverwege de jaren dertig van de 20e eeuw lid van het Comité van Waakzaamheid tegen het Nationaal-Socialisme, opgericht door wetenschappers en kunstenaars. Hij protesteerde tegen het verwijderen van joodse kinderen uit katholieke scholen. In 1941 schreef kardinaal de Jong een brief aan de katholieke kranten en tijdschriften, waarin hij verbood dat ze advertenties zouden opnemen van de N.S.B., de Nederlandse organisatie die sympathiseerde met de Nazi’s. Iedereen wist dat Titus Brandsma die brief voor de kardinaal geschreven had. Zie de krant die hij op de afbeelding in zijn hand houdt!
In de ogen van de Nazi’s was Pater Titus een gevaarlijke tegenstander. Ze arresteerden hem in januari 1942. Via de strafgevangenis in Scheveningen en kamp Amersfoort kwam hij uiteindelijk in het gevreesde concentratiekamp Dachau terecht. Voor zijn medegevangenen was hij een indrukwekkend voorbeeld van geduld, geloof en gebed. Daarop duidt de rozenkrans op de afbeelding.
Reeds na een paar maanden werd hij ziek en moest opgenomen worden in de ziekenafdeling. Kort daarna werd hem door de naziarts een dodelijke injectie toegediend.
Hij staat hier in de kerk afgebeeld naast Edith Stein († 1942; 09 augustus), een ander slachtoffer van het naziregime. Twee geloofsgetuigen in een tijd van vervolging, terreur en angst.
En ik? Hoe sterk is mijn geloof? Durf ik er liefdevol van getuigen?
Iets om te vragen in mijn gebed?
[ca 1990, glasschilderkunst. Nederland, Den Haag, St-Jacobuskerk. Dries van den Akker s.j./2014.06.04]
Edith Stein was van joodse afkomst. Daarop duidt de Schriftrol die zij op de afbeelding in haar armen heeft. In haar studentenjaren noemde zij zich atheïst. Tijdens de Eerste Wereldoorlog, in 1917, sneuvelde een bevriende filosoof. Zij werd gevraagd zijn nalatenschap te ordenen. Zij vreesde de ontmoeting met de jonge weduwe: wat zou zij aan moeten met zo’n huilerige vrouw? Maar de weduwe was helemaal niet huilerig. Integendeel, als gelovig christen vond zij haar kracht in het kruis van Christus. Sindsdien verdiepte Edith zich steeds meer in de persoon en de leer van Christus. Uiteindelijk liet zij zich dopen. Dat stuitte op onbegrip bij haar moeder die praktiserend Jodin was. Nadat zij samen een preek van de rabbijn hadden bijgewoond, had moeder gevraagd: ‘Dat was toch mooi?’ ‘Zo lang je niet beter weet…,’ was Ediths antwoord geweest.
Ze trad in bij de Karmelietessen van Keulen. Als kloosternaam koos ze Teresia Benedicta a Cruce (‘Theresia, gezegend door het Kruis’, door de kunstenaar fijngevoelig in beeld gebracht!). Ze was ontzettend onhandig in de huishouding, tot vermaak van haar medezusters. Er viel altijd wel iets kapot. Ze brak zelfs haar been bij het vegen van de gang. Ze kreeg toestemming boeken te schrijven.
Tegen het eind van de jaren dertig werd de vijandigheid van de nazi’s tegen de Joden steeds dreigender. Hoewel van godsdienst veranderd verklaarde Edith zich solidair met haar volk. Ze werd overgeplaatst naar de Karmel te Echt, net over de grens in Nederland. In 1940 volgde de Duitse bezetting. De Nederlandse bisschoppen namen openlijk stelling tegen de Jodendeportaties. Toen begonnen de nazi’s ook de katholiek geworden Joden op te pakken. Eén van hen was Zuster Teresia. Te midden van de paniek en de chaos in het doorgangskamp van Amersfoort was zij één van de weinigen die haar kalmte bewaarde. Zij hielp verloren lopende kindertjes en hield de boel op orde. Ineens kon ze wel waar ze met haar onbeholpenheid in het klooster zo veel meewarigheid had opgeroepen.
Een week later werd ze op transport gezet. Ze stierf in de gaskamers van Auschwitz.
Zij staat hier in de kerk afgebeeld naast Titus Brandsma († 1942; 27 juli), een ander slachtoffer van het naziregime. Twee geloofsgetuigen in een tijd van vervolging, terreur en angst.
Kijkend naar haar afbeelding vraag ik mij af hoeveel tegenstand ik ontmoet in mijn geloof.; hoe mijn houding is daartegenover en waar ik mijn standvastigheid vandaan haal.
Let op de grond waarop zij staat. Er is prikkeldraad te zien. Waarom heeft de kunstenaar voor dat groen gekozen, denk je?
[ca 1990, glasschilderkunst. Nederland, Den Haag, St-Jacobuskerk. Dries van den Akker s.j./2014.06.07]
Reeds op zeventienjarige leeftijd werd Adelheid uitgehuwelijkt aan koning Lotharius II van Italië. Deze stierf alweer twee jaar later, naar men zegt door toedoen van diens opvolger Berengarius II. Die zou hem vergiftigd hebben. Dat was in 950. Berengarius wilde Adelheid namelijk aan zijn zoon cadeau doen. Maar Adelheid weigerde en werd prompt gevangen gezet in een kasteel te Como in Noord-Italië. Zij wist te ontsnappen en vluchtte in een bootje het meer over. Ze kreeg onderdak bij een plaatselijke edelman. Toen Berengarius daar lucht van kreeg, begon hij het slot van de edelman te belegeren. Adelheid liet een noodkreet uitgaan. Waarop keizer Otto I van Duitsland heel Noord-Italië bezette en Adelheid bevrijdde. Adelheid huwde met Otto.
Het echtpaar werd in 962 door Paus Johannes XII († 964) tot keizer en keizerin van het Heilige Rooms-Germaanse Keizerrijk (Duitsland en Italië) gekroond. In 973 stierf de keizer en was Adelheid voor de tweede keer weduwe. Ze werd door haar zoon Otto II en diens vrouw Theophano zo onheus behandeld dat zij moest uitwijken naar Bourgondië. Daar stichtte zij meerdere kloosters. Tegen het einde van haar leven trok zij zich terug in het door haarzelf gestichte klooster Selz in de Elzas. Daar is ze ook gestorven. Op de afbeelding heeft ze een kerkmodel van dat klooster in de hand.
Waar wij soms verheven gedachten hebben bij koningen en koninginnen, was de realiteit vaak heel anders. Zo blijkt uit het leven van Adelheid.
Als zij toch als koningin de geschiedenis is ingegaan, dan vooral als koningin van de naastenliefde.
Is er in mijn leven iemand die ik de titel ‘Koningin (of Koning) van de Naastenliefde’ zou durven meegeven?
En ikzelf…?
[ca 1900, glasschilderkunst. Nederland, Den Haag, St-Jacobuskerk. Dries van den Akker s.j./2014.08.21]
Zij was een prinses. Want zij was een dochter van koning Lodewijk xi van Frankrijk († 1483). Maar zij was mismaakt en lelijk. Ze werd opgedrongen aan haar neef, hertog Lodewijk van Orléans. Deze trouwde dus met haar. Maar voor het overige leefden de twee gescheiden. Want met zo’n lelijk mens wilde de hertog niet gezien worden. Al helemaal niet, toen hij de koning moest opvolgen onder de naam Lodewijk XII.
Zo werd Jeanne eenvoudig verstoten.
Zij trok zich terug op een kasteel in de Franse stad Bourges. Ze wilde niet vervallen in een leven van verbittering en teleurstelling. Op de afbeelding in het raam zien we hoe ze haar oog gericht houdt op het kruis van Jezus. Ook Hij liet zich niet leiden door wrok, maar bad op het kruis om vergeving voor zijn beulen.
Ze begon het leven te leiden van een kloosterzuster, weergegeven door het zusterhabijt en de rozenkrans in haar hand. Zij vroeg in haar gebed een mens te worden van de liefde, en ging er herhaaldelijk op uit om voedsel en kleding te brengen bij de armen in de buurt. Andere adellijke dames sloten zich bij haar aan. Uiteindelijk werden ze zelfs een officiële kloosterorde; de zusters noemden zich naar Maria Boodschap (‘Annunciatie’): de Annonciaden. Vanaf dat moment noemde prinses Jeanne zich zuster Gabrièle-Marie. Haar naam herinnert aan de aarstengel Gabriël, die aan Maria de Blijde Boodschap kwam brengen dat zij de moeder van Jezus zou worden.
Kijkend naar haar afbeelding ga ik na hoe ik omga met teleurstelling en pijn die mij wordt aangedaan. En of ook ik kan bidden dat God mij maakt tot een boodschapper van de liefde.
[ca 1900, glasschilderkunst. Nederland, Den Haag, St-Jacobuskerk. Dries van den Akker s.j./2014.08.21]
Dit feest is verbonden met een van de aanroepingen uit de Litanie van Maria: ‘Koningin van de Vrede, bid voor ons.’
Het gaat terug op een belofte die Maria op 26 mei van het jaar 1432 zelf gedaan zou hebben aan een Italiaanse vrouw.
In de geloofstraditie is een gebed overgeleverd tot Maria, Koningin van de Vrede:
‘Allerheiligste Maagd en Moeder van God,
U bent ook onze allerliefste Moeder.
Aan uw Zoon Jezus is door de Vader
het koningschap toevertrouwd over hemel en aarde.
En u mag naast Hem staan als koningin van de hemel.
In alle bescheidenheid komen wij tot u met ons gebed.
Wij herinneren ons dat bij Jezus’ geboorte in Bethlehem engelen zongen:
‘Eer aan God in de hoge en vrede op aarde.’
Zo was hij door de profeten aangekondigd:
Als een ‘vredevorst voor eeuwig’.
Wij geloven vast
dat u mag delen in dat koningschap
en dat wij op u een beroep mogen doen
als koningin van de vrede.
Wij bidden
dat op uw voorspraak
haat en tweedracht tussen de volkeren mogen verdwijnen
en dat hun hart vervuld mag worden
met de wil tot vrede en verzoening:
die vrede die Jezus ons heeft voorgeleefd
en die Hij ons toewenste
toen Hij op eerste Paasdag aan zijn leerlingen verscheen
met de woorden: ‘Vrede, sjalom.’
Zegen de pogingen van onze Heilige Vader de Paus
die de volken en wereldleiders onophoudelijk oproept
oorlogen te beëindigen en te streven naar vrede.
Maar geef
dat ook wij
op de plek waar wij staan
bezield worden door datzelfde verlangen
en alles doen wat in ons vermogen ligt
om een werktuig van vrede te zijn.
Goede Moeder
bid met ons mee om vrede
overal op onze wereld,
in ons eigen land,
in onze gezinnen
in ons hart.
Moge daar het koningschap van Christus uw Zoon
zijn rijk beginnen.
Amen.’
[Naar Groot Gebedenboek p.1154]
[ca 1950, glasschilderkunst. Nederland, Den Haag, St-Jacobuskerk. Dries van den Akker s.j./2014.06.03]
Vincentius’ tijd wordt gekenmerkt door oorlog en narigheid. Tijdens een conferentie voor priesters zei hij: “Ik kom nog eens terug op de aanbevelingen die ik al zo vaak gedaan heb en die we niet genoeg kunnen herhalen: dat we God bidden om vrede en dat Hij zo goed is om de harten van de christenvorsten tot elkaar te brengen. Want helaas: overal om ons heen zien wij oorlog! Oorlog in Frankrijk, oorlog in Spanje, in Italië, in Duitsland, in Zweden, in Polen dat van drie kanten wordt aangevallen, in Ierland waar de armen van hun land worden gedeporteerd naar onvruchtbare gebieden, naar bergen en zo goed als ontoegankelijke en onherbergzame rotsgrond; in Schotland is het nauwelijks beter; en Engeland: ieder weet hoe erg het daar is. Kortom in alle koninkrijken oorlog en ellende alom. In Frankrijk hebben zo veel mensen te lijden. O Verlosser, o Verlosser. Hoeveel zijn het er wel niet!?”
In de steden legden de mensen uit wanhoop hun kinderen te vondeling. Vincentius had welgestelde dames bereid gevonden zich hun lot aan te trekken. Maar het aantal vondelingen in Parijs steeg zo snel dat het de dames boven het hoofd dreigde te groeien. Bovendien liepen ook de kosten torenhoog op. Ze overlegden dus of ze dit werk wel konden volhouden. Bij die gelegenheid zou Vincentius hebben gezegd: “Luister dames. Uit medelijden en naastenliefde hebt u deze kleine schepseltjes als uw eigen kinderen aangenomen. U bent uit pure goedheid hun moeder geworden, omdat hun echte moeders hen aan hun lot hadden overgelaten. En nu wilt u hen nóg eens aan hun lot overlaten? U wilt niet langer hun moeder zijn, maar hun rechters. Want hun leven en hun dood ligt nu in uw handen. Welnu, ik zal er dus toe overgaan om de stemmen te tellen. Dan is nu het moment gekomen om een uitspraak te doen en te zien of u nog medelijden met hen wilt hebben. Zij zullen het er levend vanaf brengen, als u nog liefdevol voor ze wilt zorgen. Maar ze zullen onherroepelijk doodgaan, als u uw handen er nu van af trekt. U weet het uit eigen ervaring…!” Waarop de dames niet anders konden besluiten dan het werk voort te zetten en te vertrouwen op de Goddelijke Voorzienigheid, die – zo zou blijken – zich nooit onbetuigd liet.
Vincentius is afgebeeld met een kind in zijn armen. Het doet enigszins denken aan het kind Jezus. Niet toevallig! Vincentius had Jezus’ woorden ter harte genomen: ‘Wat je doet aan de minste van mijn mensen: dat doe je eigenlijk aan Mij!’
En ik? Zie ik in noodlijdende en hulpbehoevende mensen eigenlijk Jezus zelf?
[ca 1895, glasschilderkunst. Nederland, Den Haag, St-Jacobuskerk. Dries van den Akker s.j./2014.06.22]
Hij is afkomstig uit Zuid-Engeland. Daar was hij in 672 geboren en heette aanvankelijk Winfried. Hij treedt in bij de benedictijnen van Nursling en brengt het daar tot leraar aan de kloosterschool. Hij is de veertig al gepasseerd, als hij besluit voor het ‘pelgrimschap’ te kiezen. Dat betekent dat hij zijn vaderland zal verlaten om er nooit meer terug te keren. Vanuit de gelovige overtuiging dat op deze aarde nergens je definitieve thuis te vinden is. Rond 716 steekt hij dus over naar het vasteland en meldt zich bij Willibrord in Utrecht. Deze wijst hem Woerden aan als standplaats. Maar het wordt geen succes. Na een jaar trekt hij verder naar de donkere wouden van Germanië, nu: Zuid-Duitsland. Daar was het geloof in Christus nog niet doorgedrongen. De kerk moest er van de grond af aan worden opgebouwd. Hij gaat rapport uitbrengen aan de paus in Rome. Hij vertrekt op een 14e mei, feestdag van de heilige Bonifatius van Tarsus. Vanaf dat moment noemt hij zich naar die heilige. De paus wijdt hem tot bisschop en overlaadt hem met relieken, zodat hij kerken kan stichten. Zo staat Bonifatius aan de basis van de bisdommen Passau, Regensburg, Salzburg, Eichstätt, Würzburg en Erfurt. Hij correspondeert met een zusterklooster in Zuid-Engeland. Hij vraagt om liturgische gewaden, het afschrijven van heilige boeken, en… om een hartelijk woord. Want het leven dat hij leidt, is verre van gemakkelijk: "Ik vraag uwe liefde met de meest mogelijke aandrang voor mij te bidden tot onze God, de schepper van hemel en aarde. Ik wil u ook niet in het onzekere laten over de reden waarom ik dit vraag. U moet weten dat mijn pelgrimschap telkens opnieuw wordt belaagd door allerhande stormen: overal moeite, overal verdriet; van buiten strijd, van binnen vrees!" Hij vraagt zelfs of er zusters durven over te komen om in dit verlaten gebied nieuwe kloosters te vestigen, steunpunten van christelijke cultuur. Zelf sticht hij een aantal mannenkloosters. In 754 gaat hij er met een groep priesters en monniken op uit om de Friezen te bekeren. Het hele gezelschap wordt vermoord. Volgens de overlevering zou Bonifatius hebben gepoogd zich met een evangelieboek te beschermen tegen de houwen van het zwaard. Dat verklaart het zwaard op de afbeelding.
Het evangelie als bescherming. Waartegen beschermt mij het evangelie van Jezus? Christenen voelen zich soms nog steeds pelgrims op deze wereld, ook al verlaten ze hun vaderland niet. Herken ik dat?
[ca 1900, glasschilderkunst. Nederland, Den Haag, St-Jacobuskerk. Dries van den Akker s.j./2014.06.02]
Johannes behoorde tot de twaalf apostelen. Volgens de overlevering was hij de jongste van allemaal. Zo wordt hij hier ook afgebeeld. Met zijn broer Jacobus was hij aanvankelijk in dienst bij zijn vader die een visserijbedrijf had aan het meer in het noorden van Palestina. Daar had Jezus hem in het voorbijgaan uitgenodigd Hem te volgen. Sindsdien is zijn leven alleen nog maar door Jezus bepaald geweest.
Na Jezus’ heengaan schreef hij een evangelie, een levensverhaal over Jezus. Op de afbeelding toont hij het aan mij. Hij trekt een gezicht alsof hij zeggen wil: ‘Het komt in het leven alleen dáár op aan.’
Hij was niet de eerste die zo’n evangelie schreef, maar de vierde. Wel anders. Diepzinniger, met theologische beschouwingen. Vandaar die adelaar aan zijn voeten: hij keek met een scherpziend oog dwars door de buitenkant van de dingen heen om de goddelijke binnenkant te ontwaren.
In zijn verhalen komt zo nu en dan een leerling voor die in het bijzonder door Jezus werd bemind. Men gaat ervan uit dat hij, Johannes, dat zelf was. Hij wist waarover hij het had. Uit de andere drie evangelies weten we dat zijn moeder eens aan Jezus kwam vragen of haar twee zoons straks links en rechts van Jezus op een troon mochten zitten. Was dat haar initiatief, of durfde Johannes het niet zelf te vragen? Toen ze bij een andere gelegenheid eens geen gastvrij onthaal kregen in een dorp, stelde Johannes voor om vuur uit de hemel te vragen, zodat die ellendelingen van de aardbodem verdelgd zouden worden. Jezus kwaad! Veel later zou diezelfde Johannes in één van zijn brieven schrijven: ‘God is Liefde.’
Wat moet die man een innerlijke ontwikkeling hebben doorgemaakt!
En ik? Als ik terugkijk op mijn geloofsleven: zie ik dan ook een ontwikkeling, een groei?
Dwars door de buitenkant van de gewone dingen heen de goddelijke binnenkant zien: is dat niet een genade, waar ik elke dag in mijn gebed om zou kunnen vragen?
[ca 1895, glasschilderkunst. Nederland, Den Haag, St-Jacobuskerk. Dries van den Akker s.j./2014.08.21]
Juliana wordt rond 1192 geboren te Rétinne bij Luik. Als ze vijf jaar oud is, verliest ze haar beide ouders. Ze wordt opgevoed door de zusters augustinessen op de Corneliusberg (= Cornillon) vlak bij Luik. Uiteindelijk treedt ze toe tot de gemeenschap en wordt zelf ook zuster. In 1222 wordt ze priorin. Tezamen met haar medezusters ijvert zij voor de verbreiding van de devotie tot het Heilig Altaarsacrament (= eucharistie) en de invoering van het sacramentsfeest.
Op een dag ontvangt ze tijdens haar gebed een visioen: zij ziet de maan met een hap eruit. Pas na twee jaar begrijpt zij de betekenis ervan: de maan was de kerk, waaraan nog iets heel belangrijks ontbrak: een feestdag ter ere van het Heilig Altaarsacrament.
In het jaar 1246 plaatst het bisdom Luik inderdaad het Sacramentsfeest op de liturgische kalender.
Intussen is er in het naburige mannenklooster een prior gekomen die geen gelegenheid voorbij laat gaan om haar te betichten van schijnheiligheid. Tot tweemaal toe ziet zij zich genoodzaakt de vlucht te nemen. Uiteindelijk trekt zij zich in de eenzaamheid terug als kluizenares, zonder dat er ooit één klacht over haar lippen komt. Zij sterft in 1258.
Zo mocht zij niet meer meemaken dat het Sacramentsfeest in 1264 door paus Urbanus iv voor de hele Kerk werd opgenomen in de liturgische kalender.
Zij wordt afgebeeld met een monstrans, waarin het Heilig Altaarsacrament te zien is.
Kijkend naar de afbeelding vraag ik mij af: ‘Heb ik devotie tot de eucharistie?’
[ca 1900, glasschilderkunst. Nederland, Den Haag, St-Jacobuskerk. Dries van den Akker s.j./2014.08.21]
Cecilia was in de middeleeuwen zo populair dat er almaar meer verhalen om haar persoon geweven zijn. Met als gevolg dat het vandaag de dag eenvoudig niet meer mogelijk is in de verhalen waarheid en legende uit elkaar te houden.
Zij zou opgegroeid zijn in een christenfamilie. Zoals vaak in de begintijd van het christendom nam zij zich voor maagd te blijven; teken dat zij haar geloof te midden van de Romeinse cultuur in alle zuiverheid wilde bewaren. Zo kon zij het beste getuigen van de alles omvattende liefde tot Christus. Ze had die belofte gedaan in de stilte van haar gebed.
Haar ouders waren er niet van op de hoogte en arrangeerden naar de gewoonte van die tijd een huwelijk voor haar met een aantrekkelijke partner. In dit geval ging het om een rijk man, Valerianus. Ze besloot hem haar vrome voornemen kenbaar te maken. Op het moment dat de bruidsmuziek weerklonk, aldus de legende, fluisterde zij Valerianus in het oor dat zij had besloten maagd te blijven omwille van Christus. Door haar heilige ernst speelde zij het klaar hem te winnen voor haar ideaal. Hij maakte kennis met haar godsdienst en liet zich dopen. Ook zijn broer Tiburtius wist zij over te halen omwille van Christus verder ongehuwd door het leven te gaan.
Niet lang daarna ondergingen beide broers de marteldood. Al de goederen die nu aan haar toevielen verdeelde zij onder de armen. De corrupte belastingdienst van die dagen had gehoopt er een voordelig slaatje uit te slaan, maar de ambtenaren visten achter het net. Uit teleurstelling lieten ze haar arresteren. Na veel geharrewar werd ze ter dood veroordeeld door de nekslag met de bijl.
Omdat muziek in haar verhaal zo’n beslissende rol speelt, is zij patrones van de muziek, met name de kerkmuziek en van alle musici. Vandaar dat zij op de afbeelding een orgeltje bij zich heeft dat op het boek rust.
Gods Woord klinkt haar als muziek in de oren!
Kan ik dat ook zeggen? Zo ja, welke woorden van God in het bijzonder?
[ca 1895, glasschilderkunst. Nederland, Den Haag, St-Jacobuskerk. Dries van den Akker s.j./2014.08.21]
Sint Jozef staat hier afgebeeld met een winkelhaak, een timmermanswerktuig. Volgens de evangelies was dat zijn beroep. Hij is dan ook de patroonheilige van beroepsgroepen die daarmee verband houden: aannemers en ingenieurs, meubelmakers en schrijnwerkers. In 1955 gaf Paus Pius XII hem naast zijn eigenlijke feestdag (19 maart) een aparte feestdag op de heiligenkalender als Sint Jozef Werkman: 1 mei. Dat is de dag dat in de socialistische en communistische landen de Dag van de Arbeid wordt gevierd.
Uit de eerste eeuwen zijn talloze zogeheten apocriefe evangeliën bekend. Verhalen over Jezus die de geloofsgemeenschap als ‘niet-authentiek’ beschouwt: niet geïnspireerd door de Heilige Geest. Ze vertellen ons vooral hoe de gelovigen die deze verhalen vertelden, tegen Jezus aankeken. Zo bestaat er een zogeheten ‘Arabisch Evangelie van de Verlosser’. Het werd vermoedelijk geschreven halverwege de 5e eeuw. Hierin lezen we dat Jozef weliswaar timmerman was, maar dat hij het eigenlijk niet zo goed kon!
‘Jozef nu ging de hele stad rond, en nam de Heer Jezus mee als de mensen hem vroegen om een deur, een melkvat, rustbank of kist te komen maken. Overal ging de Heer Jezus met hem mee. Telkens als Jozef iets van zijn handwerk met een el of een duimbreedte langer of korter, smaller of breder moest maken, strekte de Heer Jezus zijn hand ernaar uit. Had Hij dat eenmaal gedaan, dan was het precies zoals Jozef het gewild had. Hij hoefde er met eigen vaardigheid niet meer aan te pas te komen. Jozef was immers niet zo bekwaam in het timmervak.
Zo ontbood hem op een dag de koning van Jeruzalem met de opdracht: ‘Jozef, ik wil dat je voor mij een verheven zetel maakt; hij moet de maten hebben van de plek waar ik altijd resideer.’ Jozef ging meteen aan het werk. Het duurde twee jaar. Maar toen hij de zetel aanbracht op de daarvoor bestemde plek, bemerkte hij dat hij links en rechts twee duim te kort was. Toen de koning dat zag, werd hij woedend. Van angst kreeg Jozef geen hap meer door de keel en ’s nachts sliep hij niet. De Heer Jezus vroeg hem waarover hij zo inzat. Hij zei: ‘Omdat ik in één klap alles kwijt ben, wat ik in twee jaar heb opgebouwd.’ Toen zei de Heer Jezus: ‘Vrees niet; houd moed. Als u de ene kant van de zetel vastpakt, neem ik hem aan de andere kant. We zullen zien wat we er aan kunnen doen.’ Jozef deed het, en allebei trokken ze aan hun kant. Zo kreeg de zetel alsnog de maten die hij hebben moest. Toen de omstanders zagen wat er gebeurd was, prezen ze God…’
De bedoeling van de schrijver lijkt me duidelijk. Hij (of zij?) legt er de nadruk op dat ons mensenwerk pas tot voltooiing komt, als we er Jezus bij betrekken.
Ik ga bij mezelf na hoe ik Jezus betrek bij mijn werkzaamheden.
En of ook ik uit ervaring kan zeggen dat mijn werk pas goed is, als ik dat doe onder zijn inspiratie.
[ca 1895, glasschilderkunst. Nederland, Den Haag, St-Jacobuskerk. Dries van den Akker s.j./2014.08.21]
Maria is afgebeeld met lange afhangende haren, doodshoofd en kruis, waar een boete-instrument aan is bevestigd.
Volgens de legende zou Maria na Jezus’ heengaan een leven van boete en inkeer hebben geleid. De afhangende haren symboliseren de strijd tegen de ijdelheid en de behaagzucht: zo werden de haren dus niet in een elegant kapsel gekruld. De doodskop moet de boeteling herinneren aan de vergankelijkheid van het leven. De gesel wordt gebruikt om de lusten van het lichaam ondergeschikt te maken aan gevoelens van liefde en opoffering. Het kruis duidt erop dat Jezus ons daarin is voorgegaan.
Opvallend, op andere afbeeldingen zien we Maria met de zalfpot. Die had ze bij zich gehad toen ze Jezus’ lijk wilde gaan balsemen. Zij hield zielsveel van Jezus. Hij had haar bevrijd uit de macht van het kwaad, en tot een vrouw van de ware liefde gemaakt. Dit was het laatste dat ze nog voor Hem kon doen. Maar het graf was leeg geweest. Ze was in tranen. Toen werd ze aangesproken door een man, de tuinman dacht ze. Hij noemde haar naam: ‘Maria!’ Alleen zoals Hij dat kon. Ze riep uit: ‘Meestertje-mijn!?’ Haar koosnaam voor Hem.
Hij gaf haar de opdracht naar de leerlingen te gaan en te zeggen dat Hij leefde en naar zijn Vader in de hemel terugkeerde. Zo werd zij de eerste apostel, de eerste die het evangelie verkondigde.
Maria’s verkondiging van het evangelie is gebaseerd op een ontmoeting met de verrezen Heer. Heb ik Hem als eens ontmoet? Haar ontmoeting was gebaseerd op het feit dat ze zielsveel van Hem hield. En ik?
[ca 1895, glasschilderkunst. Nederland, Den Haag, St-Jacobuskerk. Dries van den Akker s.j./2014.06.04]
Lambertus was een Maastrichtenaar. Hij moet nog geen dertig geweest zijn, toen hij tot bisschop werd benoemd. Onvermoeibaar trok hij rond door Brabant en de Kempen om er het evangelie te verspreiden. In die streken zijn dan ook tot op de dag van vandaag talloze kerken aan hem toegewijd. Vandaar dat eikenblad in zijn staf: teken van vruchtbaarheid en kracht.
Toen er een machtswisseling plaatsvond, viel Lambertus in ongenade. Hij werd verbannen naar de abdij van Stavelot in de Ardennen. Daar leidde hij het leven van een bescheiden, vrome monnik. Eens wilde hij midden in de nacht opstaan om te gaan bidden. Maar hij liet zijn sandaal vallen op de houten vloer van de slaapzaal. Half wakker gemaakt bromde de abt dat de dader buiten voor het kruis boete moest doen. Het was hartje winter. De volgende morgen miste men Lambertus bij het koorgebed. Hij lag nog steeds op zijn knieën voor het kruis, volkomen verkleumd, de sneeuw dik op zijn gespreide armen. In alle haast heeft men water warm gemaakt en hem ontdooid.
Na zeven jaar keerde het tij en kon hij terug naar Maastricht. Een moedig man. De vorst die hem beschermde leefde onwettig samen met een bijvrouw. Na vergeefse waarschuwingen deed Lambertus beiden in de ban! Dat liet die vrouw niet op zich zitten. Zij huurde twee moordenaars in. Zij klommen op het dak van de plek waar Lambertus lag te rusten en lieten van boven af een zwaard of een lans op zijn hoofd vallen. Vandaar die lans op de afbeelding. Ook Lambertus’ beide assistenten vonden de dood.
Hoe moedig en standvastig ben ik, als het erom gaat om vast te houden aan de weg van Christus, als in mijn omgeving vaak heel andere waarden en normen worden aangehouden?
[ca 1895, glasschilderkunst. Nederland, Den Haag, St-Jacobuskerk. Dries van den Akker s.j./2014.06.22]
Dominicus is de stichter van de naar hem genoemde dominicaner orde, ook predikheren genaamd. Vandaar dat dominicanen de letters O.P. achter hun naam schrijven: ‘Ordinis Praedicatorum’ (= van de Orde der Predikheren). In de tweede helft van de 12e en begin 13e eeuw kwamen in Zuid-Frankrijk ketterse stromingen op. Zij leefden sober en waren daardoor voor de gewone mensen veel geloofwaardiger dan de vaak in weelde levende priesters. Er was een religieuze beweging nodig die minstens zo sober leefde en theologisch terdege onderlegd was, zodat de gelovigen zouden worden bevestigd in de juiste leer. Dat werden de dominicanen.
Dominicus is hier afgebeeld met de kruinschering van een monnik en gekleed in een lang wit habijt, met daarover heen een lichtblauwe openvallende mantel. Eigenlijk zou die zwart moeten zijn: kleur van de gestrengheid. Misschien verwijst de blauwe kleur in zijn geval naar Maria. In een visioen overhandigde zij hem de rozenkrans; hij heeft hem in zijn linkerhand. De heilige Maagd sprak de wens uit dat zijn orde het rozenkransgebed zou bevorderen. In de rechterhand heeft hij een lelie, symbool van de zuiverheid: in doen en laten alleen gericht op Gods eer.
Boven zijn hoofd is een ster zichtbaar. Men vertelt dat er tijdens zijn geboorte een ster op zijn voorhoofd verscheen. Beeldspraak die ook wij kennen: ‘A star is born!’
Kijkend naar Dominicus zou ik een (tientje van de) rozenkrans kunnen bidden. Als intentie zou ik kunnen vragen dat wij gelovigen de juiste leer aanhouden, en ons niet op dwaalsporen laten brengen, al zijn ze soms nog zo logisch of aantrekkelijk.
[ca 1900, glasschilderkunst. Nederland, Den Haag, St-Jacobuskerk. Dries van den Akker s.j./2014.06.07]
Alfonsus is afgebeeld als enigszins in zichzelf gekeerde bisschop, met staf en mijter. In de linkerhand een boek, met de rechter maakt hij het gebaar van zegen en onderricht.
Hij is afkomstig uit Napels. Daar staat hij al op zijn twintigste bekend als een bekwaam en betrouwbaar advocaat. Na afloop van een proces ontdekt hij, dat hij het onrecht verdedigd heeft. Zo gebrekkig en onvolmaakt was blijkbaar het menselijke kennen en weten.
Hij besluit priester te worden. Ontvangt de priesterwijding op zijn dertigste. Onmiddellijk gaat hij preken voor het volk. Het is zijn ideaal om eenvoudige, ongeschoolde mensen het evangelie bij te brengen. Vandaar dat hij in de taal van het volk preekt met zeer begrijpelijke woorden.
Niet iedereen waardeert wat Alfonsus doet. Hij ondervindt veel tegenstand van zijn vader, van de koning en enige tijd ook van de paus. Maar intussen sluiten anderen zich bij hem aan, en geleidelijkaan groeit deze beweging uit tot een nieuwe congregatie van religieuzen: de Redemptoristen. Zij leefden in uiterste eenvoud, voelden zich aangetrokken tot de gewone mensen en brachten grote predikanten voort.
Hijzelf schrijft meer dan honderd boeken. Beroemd is zijn boek 'De Heerlijkheid van Maria'. Een samenvatting van Maria's rol in de kerk tot dat moment. Hij toont er Maria als doorgeefster, middelares van alle genadegaven.
Uiteindelijk wordt hij bisschop van het plaatsje Agatha de' Goti.
In de laatste tien à twintig jaren van zijn leven gaat zijn gezondheid almaar achteruit. Hij heeft overal pijn, groeit krom van de jicht, wordt doof en zo goed als blind, terwijl ook zijn verstand ernstig achteruitgaat. Maar zijn allerergste beproeving is wel dat hij in ongenade valt bij de paus en dat er in zijn religieuze congregatie een scheuring ontstaat.
Op zulke momenten van zwaarmoedigheid laat hij zich graag voorlezen uit zijn eigen boek over Maria; daar knapt hij prompt van op.
Hij is 91, als hij sterft.
De kunstenaar legt geen nadruk op al de pijn die hij heeft moeten verduren. Terecht?
Voor Alfonsus is Maria een grote inspiratie. Voor mij ook? En zo niet, wat is het in onze geloofsschat waar ik het meeste inspiratie vind?
[ca 1900, glasschilderkunst. Nederland, Den Haag, St-Jacobuskerk. Dries van den Akker s.j./2014.06.04]
Een rijzige man, gekleed in een wit onderkleed en een rood bovenkleed, met groene voering. Kleuren die ook in de liturgie worden gebruikt…! Met bedachtzame blik bladert hij in een boek. Blijkens het onderschrift kijken we naar Lukas, de evangelist. Hij is afgebeeld op blote voeten: in de kunst vaak symbool voor het volgen van Jezus. Paulus noemt hem in één van zijn brieven ‘mijn vriend Lukas, de arts’ (Kolossenzen 4,14).
Volgens de overlevering is hij de schrijver van het derde evangelie en van het boek dat na de evangelies komt: Handelingen van de Apostelen. We beperken ons even tot het door hem geschreven evangelie over Jezus. Stel je voor dat we dat niet gehad zouden hebben. Wat zouden we over Jezus dan niet geweten hebben?
We zouden niet geweten hebben van de engel die Maria de Boodschap kwam brengen dat zij de Moeder van God zou worden.
We zouden de lofzangen van Maria (‘Magnificat’) en van Zacharias (‘Benedictus’) niet gekend hebben die elke dag in het getijdengebed worden gebeden of gezongen. Dat Jezus na zijn geboorte in een kribbe werd gelegd, op twaalfjarige leeftijd achterbleef in de tempel. De verhalen van de Barmhartige Samaritaan en de Verloren Zoon. Dat Jezus op het kruis bad voor zijn beulen: ‘Vader, vergeef het hun…’ Dat Jezus de moordenaar aan zijn rechterhand beloofde: ‘Vandaag nog zal je met Mij zijn in het paradijs.’ Dat Jezus na zijn opstanding uit de dood verscheen aan de leerlingen van Emmaus. Dat Jezus opsteeg naar de hemel…
En nog zo veel meer.
Ik neem mij voor het evangelie van Lukas nog eens aandachtig door te lezen.
[ca 1900, glasschilderkunst. Nederland, Den Haag, St-Jacobuskerk. Dries van den Akker s.j./2014.08.21]
Bernardus is afgebeeld in het witte habijt van de cisterciënzers. Deze kloosterorde kwam op in de middeleeuwen. De benedictijner orde bestond toen al meer dan vijfhonderd jaar. Vele abdijen waren rijke grootgrondbezitters geworden. De cisterciënzers wilden terug naar de eenvoud van het begin. De eenvoud van Jezus zelf.
Hoewel Hij zich Gods Zoon mocht noemen, was Hij mens geworden. Bernardus mediteerde veel over de vraag wat dat voor Jezus betekend moet hebben. En als mens had Hij veel moeten lijden. Vandaar dat Bernardus is afgebeeld met lijdensattributen van Jezus: onder de linkerarm: de stam van het kruis en een gesel; onder de rechterarm: de lans waarmee Jezus doorstoken is en de doornenkroon.
Tegelijk had Bernardus grote devotie voor Maria. Zij was door God uitgekozen om Jezus’ moeder te worden. Zij had Hem grootgebracht. In zijn gebed verlangde hij ernaar dat hij zich mocht voeden met Maria’s moedermelk. In de hoop dat hij uit zou groeien tot een mens zoals Jezus was geweest. Op de tekstrol die naar beneden hangt, staat dan ook een regel uit het Latijnse Marialied ‘Salve Regina’ (= Gegroet Koningin):
‘O clemens, o pia,
o dulcis virgo Maria.’
[O zachte, o vrome
o zoete maagd Maria]
Kijkend naar Bernardus vraag ik mij af, waarin ik het meeste op Jezus zou willen lijken. Daar maak ik mijn gebed van.
[ca 1900, glasschilderkunst. Nederland, Den Haag, St-Jacobuskerk. Dries van den Akker s.j./2014.06.22]
Volgens de overlevering was zij een kroonprinses die zich vooral bezig hield met filosofie en wetenschap. Haar onderdanen vonden dat zij een passende echtgenoot moest zoeken. Daar stelde zij hoge eisen aan. Toen een kluizenaar haar een afbeelding van Christus liet zien, wou zij Hem als levenspartner. Zij ontving geloofsonderricht en liet zich dopen. In een droomvisioen werd zij door het kind Jezus ontvangen en stak Hij een verlovingsring aan haar vinger.
Een plaatselijke heidense heerser kwam vragen naar haar hand, maar zij wees hem af. Dat was zijn eer te na. Hij huurde de vijftig beste filosofen in om haar ervan te overtuigen dat de Romeinse goden beter waren dan die vage partner van haar. Het omgekeerde gebeurde. Zij overtuigde de filosofen van Christus’ waarheid, en zij bekeerden zich tot Christus. Tot woede van de heerser. Hij liet ze alle vijftig ombrengen. Hij begon Catharina te dreigen met straffen en martelingen, als ze niet toegaf. Dat deed ze niet. Hij liet haar op een schoepenrad binden. Maar op haar gebed brak het houten rad krakend uit elkaar.
Vandaar dat Catharina wordt afgebeeld met een wiel of rad in de hand. En met een zwaard, het instrument waarmee ze tenslotte door die heerser zelf ter dood werd gebracht.
Catharina was verloofd met Christus.
Symbolische aanduiding van haar band met Christus of beter: van Christus’ band met haar. Hoe zou ik mijn band met Christus, of liever: Christus’ band met mij weergeven?
[ca 1900, glasschilderkunst. Nederland, Den Haag, St-Jacobuskerk. Dries van den Akker s.j./2014.08.20]
Het verhaal van Sint Barbara bespraken we bij het andere raam waar zij op staat (zie Beeldmeditatie nr 412). Zij is beschermheilige van bergbouwers en tunnelgravers, vooral in Duits sprekende gebieden. Dat heeft te maken met de legende dat zij aan de dood ontsnapte doordat een berg haar in zich opnam en verborg voor haar vader die op haar dood uit was. Vandaar dat tunnelboormachines bij de aanvang van het werk gezegend worden onder aanroeping van haar voorspraak. Soms steken berg- of tunnelbouwers een kaars of lamp aan om Sint Barbara’s bescherming af te smeken. Verwant hiermee is haar verering onder de mijnwerkers.
Haar voorspraak wordt vooral ingeroepen tegen een onverwachte dood. Dat geldt natuurlijk voor allen die ondergronds werken. Met name als zij daarbij gebruik maken van springstoffen. Zo is zij ook patrones van mijnopruimers en vuurwerkmakers. Vandaar ook van gebruikers van vuurwapens, van artilleristen, van kanonniers, schutters, soldaten, van de militaire stand, wapenmakers en vandaar ook van metaalgieters in het algemeen.
Zo wordt zij patrones van allerlei beroepen die met (onvoorziene) dood te maken hebben, zoals brandweerlieden. Maar ook van doodgravers,. Heel wat katholieke begraafplaatsen, kerkhofkapellen en crematoria zijn naar Sint-Barbara genoemd.
Barbara wordt in de christelijke kunst van oost en west geregeld afgebeeld tezamen met Catharina van Alexandrië, zoals ook hier. Ze hebben hier wel wat van tweelingzusjes: het is leuk om alle overeenkomsten na te gaan die de kunstenaar aan beide martelaressen heeft meegegeven.
In het westen symboliseren deze twee heiligen het kloosterleven: Catharina het contemplatieve of beschouwende. Dat komt misschien, omdat zij volgens de legende met Christus verloofd was: bruid van Christus. Barbara vertegenwoordigt van de weeromstuit het actieve of apostolische kloosterleven.
En ik? Ben ik meer een bidder of een doener? Allebei is goed, zoals je ziet.
Ken ik mensen die onlangs of langer geleden onverwacht gestorven zijn, en die ik dus aan de voorspraak van Sint Barbara zou willen aanbevelen?
[ca 1900, glasschilderkunst. Nederland, Den Haag, St-Jacobuskerk. Dries van den Akker s.j./2014.08.20]
Matthias is afgebeeld met een baard, teken van wijsheid. In zijn linkerhand draagt hij het evangelieboek dat hij als apostel heeft verkondigd. In zijn rechter: een bijl, het werktuig waarmee hij omwille van het evangelie de marteldood heeft ondergaan.
Hij is gekleed in een lichtblauw ondergewaad, kleur van de hemel, en een groene mantel, kleur van de hoop, met paarse voering, kleur van de bezinning. Hij staat op blote voeten, in de kunst het symbool van het volgen van Jezus.
Over Matthias horen we voor het eerst in de Handelingen van de Apostelen. Jezus is teruggekeerd naar de Vader in de hemel. Nu staan de leerlingen voor de opgave zijn opdracht over te nemen. Eén van hen, Judas, heeft Jezus verraden en vervolgens zelfmoord gepleegd. Het eerste wat ze doen is een opvolger voor hem aanwijzen. De kandidaten moeten aan zeer bepaalde voorwaarden voldoen. Petrus, die de leiding neemt, formuleert het als volgt:
"Dus moet één van de mannen die tot ons gezelschap behoorden gedurende de tijd dat de Heer onder ons verkeerde, te beginnen bij het doopsel van Johannes tot de dag waarop Hij van ons werd weggenomen, met ons een getuige worden van zijn verrijzenis."
Men stelde er twee voor: Josef, ook Barsabbas geheten, bijgenaamd Justus (= de rechtvaardige), en Matthias. Toen baden zij als volgt: "Gij Heer, die aller harten kent, wijs degene aan die Gij van deze twee hebt uitverkoren om de plaats te bezetten in dit dienstwerk en apostelambt, waaraan Judas ontrouw werd om heen te gaan naar zijn eigen plaats."
Toen liet men hen loten en het lot viel op Matthias. Hij werd toegevoegd aan de groep van de elf apostelen.'
[Handelingen der Apostelen 01,21-26]
Voor zover wij weten is hij de enige in de kerkgeschiedenis die door het lot is aangewezen. Dat kwam, aldus de traditie, omdat de Heilige Geest nog niet op de apostelen was neergedaald. Dat wordt immers verteld in het volgende hoofdstuk van de Handelingen. Na Pinksteren worden kerkelijke ambtsdragers uitgekozen door benoeming.
Kijkend naar Matthias vraag ik mij af voor welke taak ik de aangewezen man ben, het lot uit de loterij, al of niet binnen de geloofsgemeenschap.
[ca 1895, glasschilderkunst. Nederland, Den Haag, St-Jacobuskerk. Dries van den Akker s.j./2014.08.20]
Hij is afgebeeld in een rood gewaad, kleur van de liefde en de Geest. Hij draagt een gouden kroon op het hoofd en een scepter in de rechterhand. In de linkerhand heeft hij het model van de door hem gestichte domkerk van de Zuid-Duitse stad Bamberg.
Een heilige keizer! Hoe vaak kom je dat tegen?
Hij was opgeleid door de heilige bisschop Wolfgang van Regensburg († 994; feest 31 oktober). Hij was ruim veertig jaar oud, toen hij door de paus tot keizer werd gekroond. Intussen was hij getrouwd met Kunigonde. Maar hun huwelijk bleef kinderloos. Mede daardoor kon hij veel aandacht besteden aan het geloofsleven van zijn onderdanen, aan een serieuze levenswijze van de geestelijken en aan de bevordering van het kloosterleven. Met gulle hand stelde hij geld en goed beschikbaar voor de bevordering van het kerkelijk leven. Zo trad hij toe tot de oblaten van de benedictijner orde: dat zijn leken die beloven in hun thuissituatie te leven volgens de regel van Benedictus.
Met Kunigonde ligt hij begraven in ‘zijn’ domkerk te Bamberg. Zijn grafmonument is gebeeldhouwd door de beroemde beeldensnijder Tilman Riemenschneider en trekt tot op de dag van vandaag vele bewonderaars.
Kijkend naar Henricus vraag ik mij af wat ik ervoor over heb om de zaak van God en het geloof te dienen.
[ca 1900, glasschilderkunst. Nederland, Den Haag, St-Jacobuskerk. Dries van den Akker s.j./2014.06.04]
Martinus is afgebeeld als bisschop: met mijter en staf. In de krul van de staf een eikenblad, symbool van vruchtbaarheid en kracht. Hij heeft dan ook onvermoeibaar het evangelie gepreekt in het zuidwesten van het huidige Frankrijk. Vandaar dat de kunstenaar hem het evangelieboek in de rechterhand geeft. Ten overvloede duidt de wijsvinger van de linkerhand op dat boek. Hij was de eerste bisschop die zijn bisdom in parochies onderverdeelde. Hij trok er op uit om de mensen op te zoeken in de meest afgelegen dorpjes en gehuchten. Tot op hoge leeftijd. Hij was over de tachtig, toen hij tijdens een visitatiereis door zijn bisdom, ernstig ziek werd. Hij bevond zich in het plaatsje Candes op een kleine vijftig kilometer van zijn bisschopstad Tours. Hij was op, en verlangde ernaar te sterven. Maar zijn priesters en diakens smeekten hem hen niet te verlaten. Zo was zijn laatste gebed: ‘Als het moet Heer, ga ik het karwei niet uit de weg (non recuso laborem).’
Opvallend is de doek over de hand die het evangelieboek vasthoudt. Teken van eerbied. Maar die doek kan ook verwijzen naar een moment aan het begin van zijn gelovige leven. Hij was toen zelfs nog niet gedoopt; had nog maar pas gehoord over Jezus. Hij diende als soldaat in de buurt van de Franse stad Amiens. Het was een bitter koude winter. In de stadspoort zat een verkleumde bedelaar met nauwelijks kleren aan zijn lijf. Maar Martinus had al wat hij bezat onderweg al weggegeven aan de armen. Hij trok zijn soldatenmantel uit en sneed die met één houw van zijn zwaard in tweeën. Eén deel gaf hij aan de bedelaar; het andere stuk sloeg hij zelf weer om. De nacht daarop droomde Martinus. Hij zag Christus, nogal vreemd aangekleed. Die droeg namelijk die halve mantel van de bedelaar van die middag. En Christus zei tegen de hemelbewoners rondom Hem: ‘Zien jullie Martinus? Hij is nog maar pas geloofsleerling. En hij weet al: wat je doet voor de minste mensen: dat doe je eigenlijk aan Mij.’
‘Ik ga het karwei niet uit de weg’, is Martinus’ lijfspreuk geworden. Is die ook op mij van toepassing. Of welke lijfspreuk zou ik kiezen?
[ca 1895, glasschilderkunst. Nederland, Den Haag, St-Jacobuskerk. Dries van den Akker s.j./2014.08.20]
Margareta heeft omwille van Jezus de marteldood ondergaan. Dat is zeker. Al het andere dat over haar verteld wordt, berust op legende, en weerspiegelt meer de vrome opvatting van de verteller, dan de ware toedracht der gebeurtenissen. Toch hebben die legenden het gelovige en culturele leven van de christenen diepgaand beïnvloed. Daarvan is de afbeelding van Margareta een voorbeeld.
In de rechterhand heeft ze een kruisbeeld. De legende vertelt:
Ze was vijftien, toen zij werd opgemerkt door de stadsprefect Olibrius. Onmiddellijk was hij smoorverliefd op haar. En beval zijn dienaren: "Ga dat meisje voor me ophalen."
Het meisje werd voor hem geleid. Nu ondervroeg hij haar. Zij gaf te kennen dat zij Margareta heette en christen was. Waarop de prefect antwoordde: "Geloof jij in een gekruisigde als God...!?" Omdat zij dus niet op zijn avances wenste in te gaan, liet de prefect, geïrriteerd als hij was, haar in de gevangenis werpen.
Margareta bleef trouw aan Christus, en wees Olibrius af. Ook door de gruwelijke folteringen die hij haar aandeed, liet zij zich niet van de wijs brengen.
In de gevangenis bad Margareta tot de Heer, of hij haar eens in zichtbare vorm de vijand wilde laten zien, waartegen zij te vechten had. Onmiddellijk verscheen er een gruwelijke draak die zich op haar wilde werpen om haar te verslinden. Vlug maakte zij het kruisteken en de draak was verdwenen. Een andere legende weet te vertellen, dat de draak haar hoofd al in zijn muil had, toen zij het kruisteken maakte; daarop schrompelde het gedrocht volkomen ineen, en kwam zij er ongedeerd uit tevoorschijn.
Inderdaad zien we op de afbeelding een ineengeschrompeld gedrocht aan Margareta’s voeten.
Kijkend naar Margareta vraag ik mij af: welke monsters heb ik te bestrijden in mijn (gelovig) leven?
[ca 1895, glasschilderkunst. Nederland, Den Haag, St-Jacobuskerk. Dries van den Akker s.j./2014.06.04]
Hoog in het noordertransept staat zij: een gekroonde vrouw met een palmtak en een boek. De naamband noemt haar ‘S. Iohanna’. Wie is zij? Het raam zwijgt — maar de kerk zelf geeft een aanwijzing. Recht tegenover haar, in het zuidertransept, staat Maria Magdalena. En het evangelie van Lucas noemt die twee in één adem: bij Jezus waren ‘enkele vrouwen: Maria van Magdala, en Johanna, de vrouw van Chusas, de rentmeester van Herodes’ (Lucas 8,2-3). Zij dienden Hem ‘uit eigen middelen’.
Johanna leefde aan het hof — vandaar wellicht de kroon. Comfort, aanzien, zekerheid: ze had het allemaal. En toch koos ze voor de rondtrekkende rabbi uit Nazareth. Ze gaf niet alleen haar geld; ze gaf zichzelf. Op paasmorgen hoort zij bij de vrouwen die het lege graf vinden en het als eersten durven vertellen (Lucas 24,10) — ook toen niemand hen geloofde.
De palm in haar hand is het teken van die trouw tot het einde; het boek is het evangelie dat haar naam bewaarde — twee korte verzen, meer niet. Genoeg om hier, eeuw na eeuw, het noorderlicht te vangen.
En ik? Wat geef ik ‘uit eigen middelen’? En durf ik te vertellen wat ik gezien heb, ook als niemand het gelooft?
Iets om te vragen in mijn gebed?
[Identificatie op grond van de iconografie (spiegeling met Maria Magdalena, Lucas 8,2-3). Meditatie in de stijl van pater Dries van den Akker s.j., toegevoegd door de samenstellers van deze route.]
Petrus heeft in zijn rechterhand het evangelieboek. In de linkerhand de sleutel van het koninkrijk. Dat had immers Jezus tegen hem gezegd: ‘Ik zal je de sleutels geven van het Rijk der Hemelen…’ (Matteus 16,19), een gigantische verantwoordelijkheid. En dat voor iemand die, toen het moeilijk werd, Jezus drie maal verloochende. Over die lafheid heeft Petrus intens verdriet gehad. Jezus heeft het hem vergeven. Zo wist Petrus uit eigen ervaring wat het was om kwijtschelding van zonden te krijgen. Nu zou hij het - als hoofd van Jezus’ geloofsgemeenschap - des te hartelijker aan anderen kunnen doorgeven.
Petrus staat op blote voeten. In de kunst staat dat symbool voor het volgen van Jezus of het gaan van Gods weg. Hij is ook te herkennen aan zijn rond geschoren witte baard en hoofdhaar. Volgens de overlevering moest hij in Antiochië de schande dragen dat hem het haar boven op het hoofd werd afgeknipt. Sindsdien is het gebruikelijk dat alle priesters een ‘tonsuur’ ondergaan, vooraf aan de priesterwijding. Een plukje hoofdhaar wordt afgeschoren, zodat er tussen God en het verstand van de priester geen enkele hindernis zit, en zeker niet de ijdelheid van een mooie haardracht. Aldus een middeleeuws legendeboek.
Hoe zit het met mijn ijdelheid?
En heb ik al eens ervaren wat het is om vergeving te ontvangen? Zodat ik die weldaad ook kan doorgeven aan anderen?
Als je ‘sleutel’ symbolisch verstaat: welke sleutels zijn aan mij toevertrouwd? Waar geven zij toegang toe? En gééf ik die toegang ook?
[ca 1895, glasschilderkunst. Nederland, Den Haag, St-Jacobuskerk. Dries van den Akker s.j./2014.06.03]
Op afbeeldingen is een engel herkenbaar aan zijn vleugels. Of dat in het echt ook zo is? Engelen brengen boodschappen over: van God naar de mensen en van de mensen naar God. Omdat gelovigen zich God voorstellen hoog boven hen ‘in de hemel’ heb je vleugels nodig… Vandaar.
Gabriël behoort tot de zeven aartsengelen. In het Oudtestamentische Bijbelboek Tobit (2,15) wordt verteld hoe de jonge Tobit op zijn levensweg wordt vergezeld door een reisgenoot die zich aan het eind van het verhaal openbaart als de aartsengel Rafaël: “Ik ben Rafaël, een van de zeven engelen die in de nabijheid van de troon van de Heer verkeren.”
Drie van hen worden in de bijbel met name genoemd: Michaël, Gabriëlen Rafaël. De vier anderen zijn ons bekend via buitenbijbelse bronnen: Uriël, Berachiël, Jehudiël en Shealtiël.
Lukas vertelt dat Gabriël naar de priester Zacharias ging. Deze deed juist dienst in de temel van Jeruzalem. Hij beloofde hem een zoon, terwijl hij en zijn vrouw Elisabet hoogbejaard waren. Ze hadden er al niet meer op gerekend. Maar toch…!
Zes maanden later ging Gabriël naar een meisje in het dorpje Nazaret, Maria. De tekstband op de afbeelding toont de woorden die hij uitsprak: ‘Ave Maria gratia…’ Dat is de Latijnse vertaling van de woorden, waarmee hij Maria de blijde boodschap (‘evangelie’) ging brengen: ‘Wees gegroet Maria, vol van genade. De Heer is met u.’ Zij schrok van dat woord en vroeg zich af, wat die groet toch wel kon betekenen. Maar de engel zei tot haar: ‘Vrees niet Maria, want gij hebt genade gevonden bij God. Zie, gij zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen, die gij de naam Jezus moet geven. Hij zal groot zijn en Zoon van de Allerhoogste genoemd worden. God de Heer zal Hem de troon van zijn vader David schenken en Hij zal in eeuwigheid koning zijn over het huis van Jakob en aan zijn koningschap zal nooit een einde komen.’ Maria echter sprak tot de engel: ‘Hoe zal dit geschieden, daar ik geen gemeenschap heb met een man?’ Hierop gaf de engel haar ten antwoord: ‘De heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal wat ter wereld wordt gebracht heilig genoemd worden, Zoon van God. Weet, dat zelfs Elisabet, uw bloedverwante, in haar ouderdom een zoon heeft ontvangen en, ofschoon zij onvruchtbaar heette, is zij nu in haar zesde maand; want voor God is niets onmogelijk.’ (Let op de vinger van Gabriëls rechterhand!) Nu zei Maria: ‘Zie, ik ben het dienstmeisje van de Heer; laat Hij met mij doen zoals Hij wil.’ En de engel ging van haar heen.
Kijkend naar Gabriël vraag ik mij af, of ik iets heb van een engel. Breng ik noden van mensen voor God? Of breng ik boodschappen van Gods goedheid over aan mensen?
[ca 1895, glasschilderkunst. Nederland, Den Haag, St-Jacobuskerk. Dries van den Akker s.j./2014.06.29]
De naam ‘Micha-ël’ betekent: ‘Wie is als God?’ Net als alle engelen wordt Michaël afgebeeld met twee reusachtige vleugels. Het woord ‘engel’ is afgeleid van het Griekse woord ‘angelos’: betekent boodschapper. In de voorstelling van de gelovigen zijn zij het die Gods boodschappen doorsturen naar de mensen, en de gebeden van de mensen doorsturen naar God.
Hij heeft in de rechterhand een zwaard in de vorm van een vlam. Dat heeft te maken met het verhaal van de Zondeval, zoals dat verteld wordt in het 3e hoofdstuk van het eerste Bijbelboek, het zogeheten boek Genesis. Toen Adam en Eva tot zonde waren vervallen, werden ze uit het paradijs verdreven. Vervolgens plaatste God een engel met een vlammend zwaard aan de ingang. Vanouds neemt men aan dat Michaël die engel was.
In de linkerhand heeft hij een weegschaal. Gelovigen veronderstelden dat Michaël de poortwachter was bij het paradijs. Hij had dus ook de opdracht te onderzoeken of een overledene toegelaten kon worden. Hij woog dus de goede daden tegen de kwade daden af. Hij was de zogeheten ‘zielenweger’.
Onder zijn rechtervoet ontwaren we een monsterkop; en achter hem kronkelt een slang. In het laatste boek van de Bijbel, het boek van de Openbaring (of Apokalyps) wordt verteld dat ooit boze engelen in opstand kwamen tegen God. Zij wilden de plaats van God innemen; zij wilden niet dat naastenliefde, barmhartigheid en vergevingsgezindheid het allerhoogste waren. Zij zagen daar liever strijd, eigenbelang, onderdrukking en overheersing.
De goede engelen stonden onder leiding van Michaël. Zij hebben die strijd gewonnen. Vandaar dat Michaël heet: ‘Wie is als God?’ Wie kan Hem evenaren?
Dat het goede uiteindelijk het kwaad overwint, is een geloofsuitspraak. Vaak zie je daar immers in je omgeving nog bitter weinig van.
Herken ik dat het kwade vaak sterker líjkt dan het goede?
Geloof ik dat het goede uiteindelijk het laatste woord zal hebben en dat het kwaad te niet zal worden gedaan? En zo ja, zie ik dan mogelijkheden om in de praktijk ook te laten zien dat ik dat geloof?
[ca 1895, glasschilderkunst. Nederland, Den Haag, St-Jacobuskerk. Dries van den Akker s.j./2014.06.29]
Hij was afkomstig uit Savoye, Zuid-Frankrijk; en studeerde aanvankelijk rechten. Maar hij wilde liever - tegen de zin van zijn vader - priester worden. Hij ontving de wijding in december 1593, vijfentwintig jaar oud.
Hij meldde zich vrijwillig om zielzorg te gaan doen in de omgeving van Genève. Juist in de streek waar niet lang daarvoor Calvijn zijn centrum had, en waar diens invloed nog altijd heel sterk was. Het overgrote deel van de bevolking was hem dan ook niet bepaald welgezind. Maar door zijn uiterst beminnelijk karakter wist hij velen met vaste, maar zachte hand tot de Katholieke Kerk terug te brengen. Vincentius a Paolo zou ooit van hem zeggen: ‘God moet wel ontzettend goed zijn, als je ziet hoe goed zijn dienaar Franciscus al is…’
In 1602 werd hij benoemd tot bisschop van Genève. Om de problemen niet groter te maken, vestigde hij zich in Annecy. Zijn grootste zorg ging uit naar een intensief persoonlijk gebedsleven van de gelovigen. Dat thema komt in zijn preken, conferenties en brieven onophoudelijk terug. De brieven groeiden uit tot het boek ‘Philothea’, ‘het beminnen van God’, in de dubbelzinnige betekenis van het woord: 1. dat God ons liefheeft; en 2 dat dat ons uitnodigt om Hem lief te hebben. Op de afbeelding heeft hij het boek bij zich. Het boek is bekend geworden onder de titel ‘Introduction à la Vie dévote’ (‘Inleiding op het aan God toegewijde leven’), vooral bedoeld voor leken.
Tezamen met de heilige Jeanne de Chantal stichtte hij de zusters Visitandinnen. Toen bijna tweehonderdvijftig jaar later Don Bosco zijn religieuze congregatie stichtte noemde hij die naar Franciscus: de Salesianen.
Hoe staat het met mijn ‘Filothea’? Ben ik mij ervan bewust hoezeer God mij bemint? En hoe bemin ik Hem terug?
[ca 1895, glasschilderkunst. Nederland, Den Haag, St-Jacobuskerk. Dries van den Akker s.j./2014.08.20]
Op de afbeelding zien we een jonge vrouw. Haar hoofd getooid met rozen. In haar linkerhand heeft ze een kruisbeeld. Aan haar voeten een paar schaatsen. Die werden in haar tijd gemaakt van dierenbotten.
Toen ze vijftien was kwam ze bij het schaatsen op het ijs ten val. Dat werd het begin van een zeer langdurige lijdensweg. Telkens kwamen er weer nieuwe kwalen en ziekteverschijnselen bij. Ze at bijna niets. Wel ging ze geregeld te communie, in die tijd iets uitzonderlijks. De mensen in haar omgeving hadden stellig de indruk dat ze daarvan leefde. Meer had ze niet nodig. Naar het woord van Jezus: ‘Een mens leeft niet van brood alleen, maar van alles wat voortkomt uit de mond van God’ (Matteus 04,04) Ze was een toonbeeld van geduld en verdroeg de soms afschuwelijke pijnen op indrukwekkende wijze. Zij hield daarbij voortdurend haar oog gericht op een afbeelding van Jezus aan het kruis. Hij was haar grote voorbeeld. Wie haar kwam bezoeken stond verwonderd over het feit dat zij vol aandacht kon luisteren, en over de wijze raad die zij wist te geven.
Na een ziekbed van achtendertig jaar stierf ze op 14 april 1433. Omdat haar sterfdag meestal vlak vóór of vlak ná Pasen valt, heeft men haar feest geplaatst op de dag dat ze plechtig werd bijgezet in de kerk van Schiedam: 14 juni.
In de 20e eeuw werd er een boek over haar geschreven met de titel ‘Een bed vol doorns’. Daar hebben de rozen mee te maken: ze symboliseren haar lijden en haar liefde.
Kijkend naar Lidwina probeer ik me te herinneren of ooit een zieke of gehandicapte persoon op mij grote indruk heeft gemaakt.
En hoe ik me gedraag bij pijn of ziekte.
Waarin is Jezus míjn grote voorbeeld?
[ca 1895, glasschilderkunst. Nederland, Den Haag, St-Jacobuskerk. Dries van den Akker s.j./2014.06.02]
Barbara wordt afgebeeld met een toren waarin drie vensters zichtbaar zijn. Zij leefde in de Romeinse tijd op het moment dat er christenvervolgingen aan de gang waren. Haar vader was fervent aanhanger van de Romeinse goden. Hij had een aantrekkelijk huwelijk voor zijn dochter gearrangeerd. Dat was gebruikelijk. Maar zij weigerde. Dat was ongebruikelijk. Zij had zich buiten medeweten van haar vader laten dopen en droomde ervan bruid van Christus te zijn. Daarop duidt de bloemenkrans in haar haar. Maar ongehoorzaamheid tastte het fundament van de samenleving aan; deze was gebaseerd op militaire gehoorzaamheid.
Vader sloot haar op in een toren met twee vensters. Zij verzocht metselaars er drie vensters van te maken. Toen vader om uitleg vroeg, legde zij uit dat die vensters verwezen naar de Vader, de Zoon en de Heilige Geest van haar godsdienst. Dat ging vader te ver.
Hij bracht haar aan. Zij werd ter dood veroordeeld. Op weg naar de plaats van terechtstelling zou zij een gebed hebben gesproken:
"Heer Jezus Christus, U hebt de hemel boven de aarde uitgespreid; U hebt de aarde gegrondvest en de afgronden afgegrendeld; U hebt de zeeën hun grenzen aangewezen; en U hebt aan de schaduwrijke wolken bevolen, dat ze moesten regenen over goeden en slechten; U hebt over de zee gelopen en de storm gestild. Alles is U onderhorig. Sta mij toe waarom ik nu, als Uw nederige dienares, kom vragen: 'Als iemand in uw naam op de naamdag van uw dienares mij in herinnering roept, wil dan geen acht slaan op al diens eventuele zonden en fouten. U weet zelf, dat wij zwakke mensen zijn...'"
Toen klonk daar de stem van de Heer:
"Kom maar hier, mijn liefje, mijn schoonheid. Rust nu maar uit in de vertrekken van je Vader die in de hemel is. En wat je zojuist vroeg: dat zal ik doen."
Volgens de overlevering voltrok vader zelf het vonnis.
De palm wijst erop dat zij de marteldood is gestorven. Eigenlijk is het een overwinningsteken. Zij heeft het kwaad weerstaan en zo - gelovig gezien - de overwinning behaald.
Wij bewonderen haar moed en innerlijke kracht. Ook ik mag daar om vragen in mijn gebed. Zij noemt zich nederige dienares van Christus. En ik? Zou ik mij ook een (nederige?) dienaar van Christus mogen noemen?
Aan haar denken is belangrijker dan de fouten en de zonden die ik bega.
[1895, glasschilderkunst. Nederland, Den Haag, St-Jacobuskerk. Dries van den Akker s.j./2014.07.22]
Vandaag wil ik met u stilstaan bij de rol die Jozef in het kerstverhaal krijgt toebedeeld. Van hem wordt verteld dat hij er over dacht om in stilte van Maria te scheiden. Van oudsher zijn er twee opvattingen over de vraag hoe je deze tekst moet uitleggen. De eerste is de bekendste. Maria bleek zwanger te zijn van een ander, terwijl ze al met Jozef verloofd was. Er was een ander in het spel. Volgens de joodse wet was dat een reden om aan je vrouw een scheidingsbrief mee te geven en uit elkaar te gaan. Omdat Jozef een rechtvaardig man was, wilde hij Maria niet in het openbaar voor schut zetten, hoewel hij daar alle reden voor had. De bijbel gebruikt het woord 'rechtvaardig' voor mensen die de wet van God nakomen, leven volgens de Tora: dus barmhartig zijn en vergevingsgezind. Daarom dacht Jozef erover om haar in stilte een scheidingsbrief te geven. Dat is de eerste opvatting.
Er is echter ook een andere opvatting. Die zegt dat Jozef van het begin af aan in de gaten had dat er met Maria iets bijzonders aan de hand was; dat God met haar bezig was. Hij was immers een rechtvaardige! Hij vermoedde dat God grote dingen deed met Maria zijn aanstaande vrouw. En omdat hij een rechtvaardige was, meende hij dat hij God niet in de weg moest zitten. Hij moest God alle ruimte geven, en dat betekende dat hij die ruimte moest maken door van Maria weg te gaan. Anders zou hij God telkens voor de voeten lopen en Maria maar in opspraak brengen. Persoonlijk is die opvatting mij het liefste. Omdat ze veel eerbiediger is en recht doet aan de toonzetting van het evangelie van Matteus.
Want hoe mooi en gepast Jozefs bescheidenheid ook is, God blijkt hem naast Maria hard nodig te hebben. Hij heeft voor hem ook een rol bedacht, en wel een zeer wezenlijke. Daarom verschijnt er in een droom aan Jozef een engel met de opdracht niet bang te zijn en Maria bij zich te nemen en het kind de naam Jezus te geven.
Op die manier weet het kind aan een wisse dood te ontsnappen. Als Jozef er niet was geweest, of als Jozef geen rechtvaardige was geweest die steeds deed wat God hem zei, dan zou er - aldus het verhaal - helemaal geen redder van het kwaad geweest zijn. Dát is Jozefs rol in Gods plan. God had hem hard nodig om het leven van de toekomstige Messias veilig te stellen. Hij, die van zichzelf dacht dat hij God alleen maar de voor de voeten zou lopen en dus in stilte bij Maria weg te gaan om God alle ruimte te geven: hijzelf bleek die ruimte die God nodig had op onze wereld. God heeft mensen nodig om zijn plannen, zijn kinderen veilig te stellen.
Dat had Jozef in zijn stoutste dromen niet durven denken. Dat hij zo'n wezenlijke rol zou spelen in Gods plannen. En daar mogen wij troost uit putten. Want misschien hebben ook wij soms de indruk dat wij niets voorstellen, en dat onze aanwezigheid op deze wereld van geen enkele belang is. Nou - krijgen we vandaag te horen - daar kon je je wel eens in vergissen. Jij mag dan misschien wel van jezelf een geringe dunk hebben, het zou wel eens kunnen zijn dat jij er bent, omdat God jou nodig heeft in zijn plannen. Als jij een rechtvaardige bent... - iemand die doet wat God zegt: wie weet hoezeer je dan niet hebt bijgedragen aan de plannen die God met ons heeft. Wie weet of - achteraf gezien - het voortbestaan van zijn aanwezigheid in deze wereld ook niet van jou afhing, van u en mij afhangt.
[ca 1895, glasschilderkunst. Nederland, Den Haag, St-Jacobus. Dries van den Akker s.j./2014.07.22]
Toen Lodewijk elf jaar was, werd hij officieel koning van Frankrijk. Zo lang hij niet de volwassen leeftijd had bereikt, nam zijn moeder, Blanca van Castilië, als regentes, zijn plaats in. Op zijn twintigste huwde hij met de zes jaar jongere Margareta van de Provence. Ze kregen elf kinderen. Het was een goed huwelijk, al is er sprake van onderlinge meningsverschillen, bijvoorbeeld, omdat Lodewijk weigerde rijke kleren te dragen. Ook zorgde de bemoeizucht van zijn jaloerse moeder herhaaldelijk voor spanning.
Lodewijk regeerde met wijsheid en rechtvaardigheid. Hij bestreed allerlei maatschappelijke en kerkelijke mistoestanden en bevorderde de wetenschap. Hij staat aan de basis van de Sorbonne, de universiteit van Parijs. Hij stichtte veel hospitalen en ziekenhuizen, waar hij soms in eigen persoon bij de verpleging kwam helpen. Net als Elisabeth van Thüringen (naast hem afgebeeld) trad hij toe tot de Derde Orde van Sint-Franciscus. Dat hield in dat hij zich in zijn privéleven liet leiden door de leefregel van de franciscanen. Zo nodigde hij herhaaldelijk arme mensen bij zich aan tafel. Daarmee bracht hij zijn adellijke tafelgenoten in grote verlegenheid; die stelden immers prijs op deftige manieren.
Hij nam deel aan de zesde kruistocht (1248-1250). De bedoeling was het Heilig Land terug te veroveren dat door de Muzelmannen was bezet. Hij werd gevangen genomen en pas vrijgelaten na betaling van een gigantisch losgeld. Op de terugtocht nam hij een kostbare relikwie mee, die hij uit handen van koning Boudewijn van Constantinopel had mogen ontvangen: de doornenkroon van Christus. Om deze een waardige verering te kunnen geven liet hij bij wijze van reliekschrijn in Parijs de Sainte Chapelle bouwen, nog steeds beroemd vanwege haar 13e-eeuwse gebrandschilderde glasvensters.
Rond 1270 ondernam hij nog een tweede kruistocht. Deze had niet de bedoeling het Heilig Land te veroveren, maar richtte zich op de islamitische landen in Noord-Afrika. Tijdens deze onderneming stierf hij aan de pest, ergens in de omgeving van Tunis.
Op de afbeelding draagt hij in zijn rechter hand een scepter als teken van zijn koningschap. Links heeft hij de doornenkroon van Christus.
Ik stel mij voor dat ik zelf koning van mijn land zou zijn. Welke maatregelen zou ik nemen om de rechtvaardigheid te bevorderen?
Maar ik ben de koning niet. Wat doe ik nu in mijn concrete leven om de rechtvaardigheid te bevorderen?
[ca 1900, glasschilderkunst. Nederland, Den Haag, St-Jacobuskerk. Dries van den Akker s.j./2014.06.22]
Elisabeth was een Hongaarse prinses. Op vijfjarige leeftijd werd zij uitgehuwelijkt aan de even oude graaf Ludwig IV van Thüringen. De twee kinderen hadden het goed met elkaar, waren speelkameraadjes. Ze trouwden, toen ze twaalf waren. Maar ze bleven elkaar liefkozend ‘broertje’ en ‘zusje’ noemen. Ze kregen drie kinderen die ze een liefdevolle, gelovige opvoeding gaven.
Elisabeth liet zich door haar kamermeisje midden in de nacht wekken om haar gebeden te doen. Het dienstertje moest in het donker aan haar voeten sjorren. Eens had ze niet Elisabeths voeten vast, maar die van haar man. Hij werd wakker en zei: ‘Je hebt de verkeerde.’ Daarop wekte hij zelf zijn vrouw.
Elisabeth had zorg voor de armen. Vooral toen er hongersnood uitbrak. Wat van de koninklijke tafel overbleef, bracht zij eigenhandig naar het nabij gelegen dorp waar een hospitaaltje was. Haar schoonfamilie en het paleispersoneel moesten er niets van hebben. Vooral schoonmoeder probeerde haar bij haar man in een kwaad daglicht te stellen: ’Ze steelt uit onze voorraadkamers. Wij gaan nog kapot aan de fratsen van je vrouw. Ga haar maar achterna en vraag wat ze bij zich heeft. Je zult nog opkijken.’ Ludwig reed zijn vrouw achterna, en vroeg heel vriendelijk wat ze daar bij zich had in dat dicht geknoopte kleed op haar schoot. Ze opende haar schoot en er kwamen rode roze tevoorschijn...
Ludwig werd opgeroepen deel te nemen aan een kruistocht. Niet lang na zijn afscheid kwam het bericht dat hij omgekomen was. Na de begrafenis veranderde alles voor Elisabeth. Haar schoonmoeder treiterde haar. Tenslotte werd Elisabeth met haar drie kindertjes het paleis uitgezet. Ze kreeg wat geld mee en moest verder maar zien. Ze trok in bij zusters die een gasthuis met hospitaaltje verzorgden, zonder zelf kloosterzuster te worden. Wel besloot ze te gaan leven, zoals Sint Franciscus had gedaan: in eenvoud en armoede. Als lid van zijn Derde Orde. Met goedvinden van de kinderen besteedde ze het geld aan de armen en hield niets voor zichzelf over.
Ze stierf uiteindelijk in grote armoede, geliefd door de mensen voor wie zij zo veel had gedaan ten koste van zichzelf.
De kunstenaar beeldt haar af met een kroon op het hoofd. Maar volgens haar levensverhaal heeft ze die nooit meer gedragen vanaf het moment dat zij met arme mensen omging.
En ik? Welke kroon zou ik af moeten leggen in de omgang met anderen?
We begrijpen waarom ze is weergegeven met rode rozen in haar kleed. Symbolen van liefde. Welk symbool van liefde zou bij mij passen?
Leden van een Derde Orde leven in hun privéomstandigheden volgens de kloosterregel waarvoor zij kiezen: Franciscanen, Dominicanen, Benedictijnen enz..
Hoe zou mijn leven eruit zien, als ik dat ook deed?
[ca 1895, glasschilderkunst. Nederland, Den Haag, St-Jacobuskerk. Dries van den Akker s.j./2014.07.22]
Tobias is de zoon van Tobit. De naam Tobias betekent ‘Goed is God’. De jongen zal zijn naam alle eer aandoen. De oude vader Tobit is tot armoede vervallen. Dan herinnert hij zich dat hij aan een neef ooit zilver heeft uitgeleend. Tijd om het terug te vragen. Die neef woont ver weg. De reis erheen is gevaarlijk. Zelf is Tobit niet in staat die tocht te ondernemen, blind als hij is. Hij geeft de opdracht aan zijn zoon. Eerst brengt hij de jongen de Tien Geboden in herinnering uitlopend op die prachtige samenvatting: ’Wat jij niet wilt dat jou geschiedt; doe dat ook een ander niet.’
Ze vinden een passende reisgenoot; iemand die in de God van Israël gelooft. Die reisgenoot blijkt een wijs man. Als Tobias zich op een avond gaat wassen in de rivier, springt er een enorme vis uit het water die hem dreigt te verslinden. Zo’n vis als in het verhaal van Jona. Tobias doodsbang. Maar de reisgenoot roept: ‘Grijp hem!’ Dat doet Tobias. De reisgenoot zegt dat Tobias de ingewanden van de vis goed moet bewaren.
Waarom? Dat blijkt pas aan het eind van het verhaal. Als ze terugkomen met het zilver. En Tobias daar in dat verre land bovendien een bruid heeft gevonden: Sara. Die ingewanden van de vis blijken geneeskrachtige werking te hebben. De reisgezel zegt aan Tobias: ‘Strijk met de ingewanden over de blinde ogen van je vader.’ Als Tobias dat doet, vallen er schilfers van Tobits ogen, en de oude man kan weer zien.
Hoe wist die reisgenoot dat? Hij blijkt een engel van God, Rafaël. Die naam betekent: ‘God geneest’! Zonder het te beseffen maakte Tobias de hele reis in gezelschap van een engel.
De kunstenaar toont ons Tobias als jongeman zonder baard, reisstaf in de rechterhand en in de linker de vis.
Kijkend naar de afbeelding breng ik mij de mensen te binnen met wie ik omga, of omgegaan ben. En vraag mij af of er bij nader inzien tussen hen ook engelen zitten.
En ik denk aan de levensles die de jongen meekreeg: ‘Wat jij niet wilt dat jou geschiedt, doe dat ook een ander niet.’
Misschien iets voor mij?
[ca 1900, glasschilderkunst. Nederland, Den Haag, St-Jacobuslerk. Dries van den Akker s.j./2014.07.22]
In dit raam staan naast elkaar: links de oude Tobit, rechts de jonge Tobias: vader en zoon.
De oude Tobit draagt een baard en heeft een banderol in de hand met de tekst: ‘Tobias ex tribu Nephtali’ (= ‘Tobit uit de stam Naftali’).
Zijn verhaal neemt ons mee naar de Ballingschap van het volk Israël, ruim zevenhonderd jaar vóór Christus. Tien van de twaalf stammen waren veroverd en door de Assyriërs meegevoerd in Ballingschap. En daar zaten ze nu, als slaven in een ver, vreemd land met andere gebruiken, met een totaal andere godsdienst.
In Assyrië hadden ze niet één, maar vele goden. Alles wat sterker en machtiger was dan de mens, werd als god beschouwd: de zon, maan en sterren; de vruchtbaarheid en de voorspoed; de oorlog en de dood; de wilde dieren en het weer. Allemaal goden die je te vriend moest houden. Waaraan je offers moest brengen; anders liep het verkeerd af met de mensengemeenschap waar je deel van uitmaakte. In die wereld was geen plaats voor de ene God van Israël. Trouwens, wat stelde die God voor? Die had blijkbaar niet kunnen verhinderen dat zijn mensen de oorlog hadden verloren en nu als machteloze slaven in dienst waren van de vijand. Zielig voor de mensen die Hem als god hadden.
In die wereld had Tobit besloten toch zijn God, JHWH, te blijven dienen; te leven naar zijn Tien Geboden. Al werd hij erom bespot. Al was het lastig om vol te houden.
Zo begroef hij doden, waar de Assyriërs die soms achteloos lieten liggen. Maar door de aanraking met een dode was Tobit onrein. Dan mocht hij niet onder de mensen komen; moest hij buiten slapen. Onder het afdak van een schuur. Zo kwam het dat er een keer vogelpoep in zijn oog kwam. Dat maakte hem blind.
Zijn omgeving reageerde zoals je kon verwachten: ‘Zie je nou wel, dat die God van jou niks voorstelt!? We snappen niet dat je nog in Hem gelooft.’
Tobit wordt arm, want hij kan niet meer werken. Zijn vrouw gaat uit werken. Wordt uitbetaald met een bokje. Als Tobit het hoort mekkeren, denkt hij dat ze het gestolen heeft… Zij verwijt hem dat hij wel aan de buitenkant de geboden naleeft, maar dat hij van binnen iemand is die kwaad denkt van de ander.
Arme Tobit.
In het verhaal over Tobias staat te lezen hoe dit verhaal verder gaat…
De kunstenaar loopt op het verhaal vooruit. Hij beeldt Tobit af met open ogen. Een gouden stralenkrans om zijn hoofd.
Kijkend naar Tobit vraag ik mij af, hoe vaak ik bespot word om mijn geloof. Hoe vaak mijn geloof op de proef wordt gesteld, omdat God inderdaad ver weg, of zelfs afwezig lijkt. Hoe het ongelovigen soms voor de wind gaat, en gelovigen in de hoek zitten waar de klappen vallen en meewarig worden aangekeken.
En wat dat dan met mij en mijn geloofsleven doet.
Gerardus was de zoon van een eenvoudige kleermaker. En verlangde ernaar om in het klooster te gaan, maar daar had hij naar de mening van degenen die hem moesten beoordelen te weinig capaciteiten voor. Toch bleef hij hopen en vragen, terwijl hij bij zijn vader het vak van kleermaker uitoefende. Na lang aandringen mocht hij op 23-jarige leeftijd alsnog lekenbroeder worden bij de redemptoristen in de Italiaanse stad Napels. Naast de gewone kloostergeloften van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid, legde hij ook de gelofte af dat hij in elke omstandigheid zou kiezen voor het volmaaktste. Hij leidde een heilig leven. Ook bij de mensen buiten het klooster was hij zeer geliefd; als hij ergens verscheen werd er geroepen: "Daar is de heilige!". Van hem wordt een aantal wonderen verteld.
Zo zou hij tijdens een storm de zee zijn opgerend om een schip in moeilijkheden te redden: hij trok het aan twee vingers naar de wal.
Op de afbeelding zien we hoe hij met losse hand een bootje in woelig water naar de kust leidt.
Ook zijn heftig opwaaiende mantel houdt hij met zijn linkerhand losjes in bedwang. Drie zeevaarders kijken vol verbazing naar hem op; de vierde is nog ingekeerd in gebed.
Zo liep Jezus ooit in het nachtelijk duister over het water naar zijn leerlingen toe, om hen in veiligheid te brengen (Matteus 14,22-23). Daarmee laat Gerardus zien wat heiligen zijn: zij brengen het evangelie dichtbij.
Kijkend naar Gerardus vraag ik mij af of ik dan ooit een heilige ben tegengekomen.
Hoe zou mijn leven eruit zien als ik consequent koos voor het volmaaktste, juist in ingewikkelde omstandigheden?
[ca 1900, glasschilderkunst. Nederland, Den Haag, St-Jacobuskerk. Dries van den Akker s.j./2014.06.29]
Van Gerardus wordt verteld dat hij tijdens zijn leven wonderbare genezingen verrichtte. We zien een nog jonge Gerardus, gekleed in zwart kloostergewaad. Hij ligt geknield op de plavuizen vloer en houdt de linker hand van de zieke vast. Een jongen nog. Naar zijn kleding te oordelen een boerenknecht. Hij is lijkbleek en ligt in zwijm met zijn hoofd op de schoot van de man achter hem. Zijn vader? Ook hij ligt geknield. Hij kijkt vol verdriet en wanhoop op naar Gerardus. Boven hem een vrouw met gevouwen handen. Zij kijkt vol zorg neer op de jongen. Ook de blik van de man achter Gerardus is gericht op wat er met de zieke jongen gebeurt. Hij is rijk gekleed. Maar die rijkdom helpt hem niets. Dat gebaart zijn linkerhand.
Prachtig hoe de kunstenaar een diagonaal heeft aangebracht in de blikrichting van de man rechtsboven, via de blikrichting van Gerardus naar de zieke jongen. En ook hoe in het linker gedeelte van de afbeelding moeder, vader en zoon boven elkaar oprijzen.
Straks zal de jongen opstaan. Maar dat heeft de kunstenaar niet afgebeeld. Hoewel dat heel spectaculair zou zijn geweest. De kunstenaar heeft ervoor gekozen het medeleven, de barmhartigheid van Gerardus in beeld te brengen.
Zo is hij een afspiegeling van Jezus, van wie ook verteld wordt dat hij vol medelijden en zachtmoedigheid was, vele zieken genas en hen persoonlijk de handen oplegde (Lukas 4,4). Of zelfs een dode jongen weer ten leven wekte en teruggaf aan zijn moeder (Lukas 7,1-10).
Kijkend naar Gerardus vraag ik mij af, of ik ooit een man of vrouw van barmhartigheid en medeleven ben tegengekomen. En of er momenten in mijn leven waren waarop ikzelf wellicht zo iemand was.
[ca 1900, glasschilderkunst. Nederland, Den Haag, St-Jacobuskerk. Dries van den Akker s.j./2014.06.29]
Op 11 februari 1858 kreeg Bernadette Soubirous de eerste verschijning van ‘een vrouwe’, zoals ze zelf zei. Het meisje was de veertienjarige dochter van een werkeloze molenaar. Ze was arm en zo traag van begrip dat ze niet eens de antwoorden van de catechismus uit haar hoofd kon leren. Op 25 februari droeg de Vrouwe het meisje op naar de bron in de rots te gaan die daar vlakbij lag, en van het water te drinken en zich ermee te wassen. Bovendien gaf de Vrouwe te kennen dat er een kapel moest komen ter ere van haar zodat de mensen er naartoe konden gaan op bedevaart. Toen het kind ervan aan de pastoor vertelde, was deze aanvankelijk zeer terughoudend. Hij droeg het meisje op de Vrouwe te vragen naar haar naam. Zij kwam terug met het bericht dat de Vrouwe had gezegd: “Ik ben de Onbevlekte Ontvangenis.” Door dit antwoord geloofde de pastoor in de echtheid van de verschijningen. Vier jaar eerder had de paus het dogma afgekondigd van Maria’s Onbevlekte Ontvangenis. Maar dat een eenvoudig, dommig kind als Bernadette die woorden in de mond nam: dat kon ze eenvoudig niet van zichzelf hebben. Alles bijeen herhaalden zich de verschijningen achttien keer. De laatste vond plaats op 16 juli van datzelfde jaar.
Rechts zien we Maria in een wit gewaad: verwijst naar haar maagdelijkheid, en een blauwe ceintuur, kleur van de hemel. Bernadette, links, ligt op haar knieën in aanbidding voor de verschijning. Ze draagt een rode mantel, kleur van de aarde en de liefde! Ze houdt een rozenkrans in haar hand.
Vandaag de dag komen er elk jaar zo’n twee miljoen mensen naar Lourdes, onder wie vele zieken die er meestal bemoedigd en getroost weer vandaan komen. Sinds de bedevaarten op gang zijn gekomen, zijn er zestig officieel erkende wonderen gebeurd. Van vele andere wonderbare gebedsgenezingen en verhoringen wordt nog onderzocht of zij als wonder kunnen worden erkend. Produceerde de bron op het moment van de verschijning een klein waterstroompje, tegenwoordig geeft ze ruim honderdduizend liter water per dag.
Elk jaar vertrekken ook uit Nederland bedevaarten naar Lourdes. Ik denk er over na of ik me opgeef om als vrijwilliger mee te gaan.
[ca 1900, glasschilderkunst. Nederland, Den Haag, St-Jacobuskerk. Dries van den Akker s.j./2014.09.13]
Tik op een nummer om naar die halte te gaan · groen = waar u nu bent